Ik loop als verdoofd door mijn flatje. Ik kook wel en doe de afwas, maar ik ben er niet echt bij.

Dit wordt geen stukje met de nodige humor en mijn eindeloze fantasie. Daar ben ik niet voor in de stemming. Ik denk, ik waarschuw jullie alvast.

Twee dierbaren van mij hebben kanker en het is dusdanig serieus dat ik bang ben dat ik dit jaar misschien nog naar twee begrafenissen moet. Het kan dagen duren, weken, maar hopelijk nog een paar maanden. Het gekke is dat het nog niet helemaal tot me door dringt. Dat gebeurt als je op het punt staat mensen te verliezen. Dan wil je dat niet weten.

Achter mijn ogen voel ik wel tranen branden, maar ik laat ze niet toe. Ik wil ook niet schreeuwen of met dingen gooien. Ik wil alleen maar vluchten. Vluchten van pijn, vluchten van verdriet. Mijn eigen verdriet en die van anderen. Ik ben er wel voor ze, ik luister naar ze en probeer ze te troosten. Iemand moet toch sterk zijn. Maar van binnen ren ik weg.

Ik luister naar keiharde muziek. Ga veel te vaak naar het theater of kijk films. Ik kruip weg in het leven van anderen; fictieve mensen. Zo hoef ik niets te voelen. Dat doe ik natuurlijk wel, maar ik laat het alleen toe als het om anderen gaat. Zelf duik ik weg achter een muur en presenteer mezelf als een soort van onverslaanbare held die alles wel aankan.

Maar zelf sta ik net zo hard te trillen op mijn benen als het besef langzaam binnen komt.