Samen met mijn kleine mannetje gaan we met de bus. Aan de trein heeft hij een hekel, maar de bus vindt hij geweldig. Die gaat wat langzamer, dus kan hij lekker uit het raam kijken. Hij kijkt naar de bomen, telt de koeien en roept als hij een huis ziet dat weer groter is dan het vorige.

Dan ziet hij een kat in een boom zitten. Hij is wit met rode vlekken en ligt rustig te slapen. ‘Kijk mama, die kat’ roept hij hard door de bus. ‘Nu kunnen we de kat uit de boom kijken.’ Maar helaas de bus rijdt alweer verder. Hij rent naar de achterruit om hem zo lang mogelijk te kunnen zien. Wanneer de kat en de boom helemaal uit zicht zijn, komt hij weer naar voren gelopen. ‘Mama, hoelang duurt het voor een kat uit de boom komt?’ ‘Dat weet ik niet, lieve schat’ zeg ik lachend. ‘Soms zijn ze er heel snel uit en soms zitten ze er wel uren.’ Op zijn gezicht verschijnt een glimlach: ‘dus misschien zit die kat er straks nog, als we naar huis gaan.’

De rest van de middag loopt hij met die grote glimlach rond omdat hij een kat in een boom heeft gezien. Op de terugweg rent hij de bus in en gaat bij het raam zitten en als we bij de boom zijn, springt hij op en gilt met een grote lach: ‘Kijk mama, de kat zit nog steeds in de boom.’ Ik glimlach terug en zeg: ‘ja René, de kat zit nog steeds in de boom.’