Er was eens een Koning. Het was een goede en wijze Koning. Hij hield van zijn volk en was goed voor hen. Mensen waren gelukkig en twijfelden nooit aan hem. Nee, volgens de mensen had de Koning altijd gelijk. Daarom waren er geen rechters. De Koning besloot gewoon wat het eerlijkste was en iedereen was het daarmee eens, want de Koning had altijd gelijk.
De Koning had ook een zoon, de prins, en van hem hield de Koning het allermeest. Hij was heel knap en ook heel slim, maar hij was niet lief. Hij dacht alleen maar aan zichzelf en hoe geweldig hij was. Want de prins was de zoon van de Koning en als de Koning zo geweldig was, moest hij dat ook wel zijn.
De prins had geen vriendin. Hij had er wel een gehad, zij was de dochter van de stalmeesteres (die ook koetsier was) en samen met haar moeder zorgde ze voor de paarden en reden de koetsen voor de Koning en zijn familie. Ze hielden van hun werk en de hielden van de Koning. En het meisje hield van de prins. Iedereen dacht dat zij prinses zou worden, ze leken zo gelukkig samen. Maar de prins was ook niet lief tegen haar. Want de prins hield alleen van zichzelf. Daarom had ze hem verlaten en was terug gegaan naar de stallen om daar voor de paarden te blijven zorgen.
Iets wat de Koning niet leuk vond, want zijn zoon leek verdrietig en hij hield het allermeest van zijn zoon.

Na een tijdje ging het niet meer zo goed met de stalmeesteres. Haar ogen gingen snel achteruit en ze reageerde niet zo snel meer als vroeger. “Mama, ik wil niet meer dat je de koets bestuurd. Want het wordt te gevaarlijk”, zei het meisje tegen haar moeder. Maar haar moeder was eigenwijs en bleef gewoon doorwerken. Ze kregen hier steeds vaker ruzie over. Het meisje maakte zich zorgen om haar moeder die steeds ouder werd, maar hoe hard ze ook smeekte haar moeder wilde met de koets blijven rijden.
De ruzie werd zo erg dat de Koning erbij gehaald werd. Hij luisterde naar beide verhalen en zou een eerlijk oordeel vellen. Maar de Koning was nog steeds een beetje boos op het meisje omdat hij haar zoon verlaten had en hoewel de stalmeesteres te oud en te ziek was, gaf hij haar toch gelijk en ze mocht blijven werken. Het meisje wist dat het niet goed was, maar dat kon ze niet zeggen. Want de Koning had altijd gelijk.

Een paar weken later reed de prins in zijn koets door het land en de stalmeesteres zat voorop om de paarden aan te sturen. Maar het ging mis. Door haar slechte ogen zag ze een boom te laat en botste er tegen op. Van de koets was niets meer over en de prins was dood. De vrouw werd naar het ziekenhuis gebracht maar bleef in coma. De Koning was ontroostbaar en boos. Hij moest iemand de schuld geven, maar de stalmeesteres was te zwak en hij hield te veel van haar. Daarom riep hij haar dochter bij zich en zei: “Waarom heb jij niet gezegd dat het zo slecht ging met je moeder? Jij had die koets moeten besturen. Dan was dit nooit gebeurd.” Het meisje was in tranen en stotterde: “Maar dat heb ik wel gezegd. Weet u nog. Ik heb tegen haar en tegen u gezegd dat zij te oud en te ziek was om te rijden.”
“NEE…” schreeuwde de Koning. “Jij haatte de prins en jij wilde niet met hem op stap. Daarom heb je je oude moeder met hem mee laten gaan. Jij hoopte natuurlijk dat hij dood zou gaan zodat je van hem af zou zijn.” De tranen stroomden over haar wangen. “Echt niet Koning, u bent onredelijk. U wilde dat ze bleef werken, ik niet.” De Koning werd vuurrood van woede. “Ik ben de Koning, ik heb altijd gelijk en ik gooi jou in de kerker. Ik wil je nooit meer zien.” De wil van de Koning was wet en ze werd in de kerker gegooid.

Na een paar dagen stierf de stalmeesteres alsnog. Ze werd begraven in de paleistuin. Haar dochter mocht er niet bij zijn, maar vanuit het kleine raampje met tralies zag ze hoe haar kist de grond in zakte. Een jaar later stierf ook het meisje van verdriet. Ze was alles kwijt. De paarden, haar Koning en haar moeder.

De mensen in het land hadden het er vaak over. Ze vonden het allemaal heel erg en ze snapten er niets van. Had de Koning dan toch geen gelijk? “Maar de Koning was zo’n goede wijze man, hij heeft altijd gelijk gehad,” zei de vrouw van de kaaswinkel. “Ja, maar hij hield zoveel van zijn zoon, misschien zag hij het niet goed meer.” Sprak de barman van het café. Al snel was iedereen het er over eens dat de Koning een fout had gemaakt. Ze werden boos en gingen met z’n allen naar het kasteel.
Maar de Koning wilde ze niet zien. Hij wilde niemand meer zien. Hij was zo alleen sinds de dood van zijn zoon en hij wist dat het volk gelijk had, dat het zijn schuld was geweest. Daarom sloot de Koning om nooit meer een beslissing te nemen. “Maar wie zegt er nu wat goed en fout is?” vroeg het volk. Want als de Koning niet meer zei wie gelijk had, vindt iedereen dat hij zelf gelijk had.
Overal in het land kregen mensen ruzie met elkaar, maar de Koning zei niets. Niemand vond elkaar meer lief, ze gingen elkaar slaan en iedereen pakte zomaar spullen van de ander af, want niemand zei dat dat niet mocht.
“Dit kan niet meer,” schreeuwde de kaasvrouw. “maar wie moet dan de beslissingen nemen? Niemand van ons is zo wijs als de Koning,” zei de barman. “Misschien moeten we de vijf slimste mensen van het land bij elkaar roepen en ze samen laten beslissen want vijf van ons zijn samen misschien wel slim genoeg.

Zo gezegd zo gedaan. De vijf slimste mensen werden bijeen geroepen en zij zouden vanaf nu bepalen wat wel mocht en wat niet. Wie wel gelijk had en wie niet. Langzaam ging het weer beter met het land en iedereen was weer gelukkig. Maar de Koning, die heeft nooit meer iets gezegd.