Soms is je hoofd gewoon leeg. Er zit niets meer in. Het is een lege, echt lege kamer. Zelfs de lucht is er ijl. Je krijgt het er benauwd en de muren komen op je af. Je verveelt je dood. Je wilt weg, maar je kunt nergens heen en er komt niets of niemand op bezoek. Je bent helemaal alleen. Zelfs de waardeloze feitjes die je op school erin hebt moeten stampen zijn nergens te bekennen. Ze zijn allemaal weggevlucht. Bang voor de eenzaamheid, de vergetelheid en de verveling. Ze hebben je in de steek gelaten en verwaarloosd zit jij vast in die kamer.
Soms, heel soms komt er een zuchtje wind van informatie door de kieren binnen. Wanhopig probeer je die in te ademen. Je snakt naar nieuwe voeding, maar voor je het te pakken hebt is het alweer verdwenen. Het is weggesijpeld door de vloer die bestaat uit allemaal kleine gaatjes, een zeef die alles door laat stromen wat niet belangrijk is. Als je iets wilt vasthouden dan zal je die bodem eerst moeten bedekken met een zeil van interesses, maar die ben je kwijt. Je kunt niet op zoek gaan naar een nieuwe, want de deur zit op slot en je kunt er niet uit.
Je moet schreeuwen om hulp, een uitweg proberen te vinden, maar je hoofd is zo leeg dat er geen idee voorbij komt. Niets kan je helpen en het kan je ook niet schelen.

Dan komt er een gedachte langs en wonder boven wonder blijft hij hangen. Hij klampt zich aan je vast en vertelt je: “Blijf jij maar gewoon liggen.”

Zie ook: Op springen