Soms is je hoofd gewoon te vol. Er kan niets meer bij. Je bovenkamer is overvol en staat op springen. Je krijgt het benauwd en de gedachten komen op je af. Je krijgt maar geen rust en je wilt weg, maar de gedachten blijven je volgen en niemand houdt ze voor je tegen. Je staat er helemaal alleen voor. Zelfs de waardeloze feitjes die je op school er in hebt moeten stampen laten je niet met rust. Ze klampen zich angstvallig aan je vast. Bang voor de eenzaamheid, de vergetelheid en de verveling. Ze laten je niet meer los en houden je vast, bang dat jij ze anders verwaarloost.
Soms, heel soms, komt er een stukje frisse lege lucht voorbij. Wanhopig probeer je die in te ademen. Je snakt naar ruimte en vrijheid, maar voor je die te pakken hebt wordt hij alweer in beslag genomen door de chaos om je heen. Het liefst zou je alles zo door een zeef willen laten weglopen omdat het meeste toch onbelangrijk is. Maar dan zal je die gaten zelf in de bodem moeten boren. Maar die bodem is hard, dik en massief en de boor ben je kwijt. Hij moet hier wel ergens liggen, maar in die rotzooi kun je niets meer vinden.
Je moet goed zoeken en alles weer op een rijtje zien te krijgen, maar je weet niet waar je moet beginnen. Je bent te moe om hulp te vragen en het kan je eigenlijk ook niets meer schelen.

Energieloos laat je je op je gedachten vallen. Niet in de makkelijkste houding, maar opstaan lukt niet meer. Dus je laat de boel de boel en je zegt tegen jezelf: “Blijf jij maar gewoon liggen.”

Zie ook: Leeghoofd