Ze liggen voor me, kleine voetstapjes. Ik zie ze als ik onder de boom doorloop. Dan stoppen ze weer even tot ik de schaduw van de volgende boom instap. Zo gaat het, boom na boom na boom, langsĀ het hele pad.
Ze liggen niet mooi in een rij, alsof er iemand voorbij is gelopen, maar helemaal door elkaar. Het lijkt net of er iemand onder de bomen heeft staan dansen en springen. Van het ene been op het andere.
Soms vind ik een verdwaalde voetstap tussen twee bomen in. Die ligt daar dan helemaal alleen in het zonlicht. En allemaal zijn ze wit met roze/paarse tenen.

Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe? En wat doen ze daar? Ik kijk naar boven en zie er heel veel in de boom hangen. Het is de bloesem die naar beneden is gedwarreld en als een onleesbaar danspatroon op de grond isĀ neergestreken.