Daar sta je dan, om half 7 naast je bed. Normaal kruip je er tegen die tijd pas in, maar om de een of de andere reden heb je je door je moeder over laten halen om met haar op de rommelmarkt te gaan staan en alle troep die er van jou nog, bij haar, op zolder lag, te verkopen. Wekenlang ben je al aan het sjouwen geweest. Alles geprijsd en uitgezocht. Je bent er echt helemaal klaar mee en het moet nog gaan beginnen. HELP!

Twee uur later kom je eindelijk bij je kraam aan en begint hem in te delen. Eigenlijk begint de markt zelf pas om tien uur, maar zodra je de eerste spullen neerlegt, staat er een groep haaien voor je neus die zo goedkoop mogelijk heel veel tegelijk mee willen nemen. Oké, het is een rommelmarkt, maar ik ga echt niet in de eerste minuut alles al voor niets weggeven natuurlijk.
Na een kwartier ben ik het al zat en wil er het liefst vandoor. Ik word melig en begin grappen te maken over mijn favoriete tv programma: “Wie is de mol”. Ik denk dat ik wel vijftig keer de zelfde opmerking gemaakt heb: “Ik wou dat Art voorbij kwam en me een rood scherm gaf. Dan mocht ik naar huis.” Nee, rommelmarkten zijn niet echt mijn ding.

De rest van de dag gaat het langzaam steeds beter, het wordt iets warmer en de loop komt er aardig in. Maar we hebben zoveel spullen dat we een uur voor het einde merken dat we meer dan de helft toch weer mee naar huis moeten nemen. Dus snel ruimen we de auto maar weer in en brengen de spullen naar huis. Daar plof ik uitgeput op een stoel neer en besef dat ik dit waarschijnlijk nog een paar keer moet doen om van alle spullen af te komen. NEEEEEEEEEEEEEEEEE!!!!!!!!!!!